De familiesite
Beijen/Beyen


door Laurens Beijen
Losse eindjes

Diverse losse eindjes



De voorpagina


Het inhoudsoverzicht


De voornamenlijst


De fotogalerij


De volgende pagina


De vorige pagina


Zoeken op deze site


Reacties of vragen



The English pages


























De bovenkant
van de pagina


























De bovenkant
van de pagina


























De bovenkant
van de pagina


























De bovenkant
van de pagina


























De bovenkant
van de pagina


























De bovenkant
van de pagina
Naast de al eerder genoemde losse eindjes waren er in het verleden nog andere. Hier volgen de belangrijkste.

Tilburg en omgeving

In de jaren rond 1425 woonde er in Oisterwijk een familie Beijen. Uit de periode 1537-1560 zijn er diverse vermeldingen van die naam uit Tilburg bewaard gebleven.
Het is helaas niet mogelijk om een samenhangend overzicht van die familie of families te maken. In die tijd werden er nog geen doop-, trouw- en begraafboeken bijgehouden. We moeten het daarom doen met archiefstukken die veel minder genealogische informatie opleveren omdat ze niet primair over mensen gaan maar bijvoorbeeld over stukken grond die verkocht werden of leningen die werden aangegaan.

Op de internetpagina http://rhc.tilburg.nl/studiezaal/naderetoegangen/otw/prototw147-2.htm is bijvoorbeeld als nummer 133 de volgende door de heren Ketelaars en De Bakker gemaakte samenvatting te vinden van een akte uit 1430 uit het oud rechterlijk archief van Oisterwijk:
Op 25-01-1430 verkocht Peter Gherijt Beijen aan Jan die Heerde zvw Jan Heerden een erfpacht van 4 lopen rogge, met lichtmis te leveren uit 2 lopen land in Westilburg, in des Roijen Hoeve, naast Denijs Langhe Daneels in het oosten, naast Peter Gherijt Beijen in het westen, aan de koper Jan Heerden in het zuiden en aan Oeden wv Gherijt Beijen en kinderen in het noorden. Jan Jans van der Hoeve zag af van vernadering. Hij betaalde 6 kromstaart en is nog 1 plak verschuldigd wegens de schepenbrief.
Wat staat hier allemaal? Peter Gherijt Beijen betekent Peter Gherijtszoon Beijen. De afkorting zvw betekent "zoon van wijlen", en wv betekent "weduwe van". Een loop was een inhoudsmaat voor graan en zout (1/16 mud), maar ook een oppervlaktemaat (gelijk aan 50 vierkante roeden of 1/8 bunder). Lichtmis of Maria Lichtmis valt op 2 februari. Vernadering is een oud recht van familieleden van een verkoper om gedurende een jaar na de verkoop het verkochte terug te kopen tegen de prijs die de koper ervoor had betaald. Een kromstaart en een plak waren geldstukken.
Intussen weten we nog niet veel over de familierelaties. Uit deze en andere akten valt af te leiden dat er een Gherijt Beijen was met een aantal kinderen, onder wie een Peter en een Gherijt junior, maar het is bijvoorbeeld niet zeker of de genoemde Oeden de weduwe was van Gherijt senior of junior.

Waarschijnlijk was de Tilburgse familie die een eeuw later werd vermeld, verwant met de familie uit Oisterwijk, maar zeker is het niet. De oudst bekende vertegenwoordiger van deze groep was een Adriaen Beijen, die in 1537 al overleden was. Hij had een zoon die ook Adriaen heette en een aantal kinderen had. Er is ook sprake van twee broers Jan en Gherit Beijen, die misschien zoons waren van de oudste Adriaen.
Voorzover bekend zijn er geen relaties tussen deze familie(s) Beijen en de latere Beijens.

Achterhoekse Beijens

In de zeventiende eeuw leefden er in de Achterhoekse plaatsen Zutphen, Lochem en Neede diverse mensen met de achternaam Beijen. Doordat er in die omgeving weinig archiefstukken uit die tijd bewaard zijn gebleven, weten we helaas weinig over de onderlinge verbanden. Enkele voorbeelden:

  • In 1613 liet een zekere Gossen of Goosen Beijen in Lochem een dochter Jennekyn (of Jenneken) dopen. Jenneken trouwde in 1643 in Zutphen met een zekere Wolter Jochems.

  • In de periode 1650-1700 leefde er in Lochem een zekere Hen(d)rick Beijen. Hij was eerst getrouwd met Heijltgen Jansd. Blockhuijs en na haar overlijden met Marie Stickinck. Hendrick speelde een belangrijke rol in Lochem. Na een Franse bezetting van Lochem, die van 1672 tot 1674 duurde, werd hij door stadhouder Willem III benoemd tot lid van het stadsbestuur. Hij bleef die functie jarenlang vervullen. Hendrick had een zoon Gerrit Beijen.

  • In Neede was er in de zeventiende en achttiende eeuw een familie Beijen waarvan zeven generaties bekend zijn:
    1. Engelbert Beijen was getrouwd met een zekere Janna. Zij lieten tussen 1617 en 1631 zes kinderen dopen.
    2. Hun zoon Jacob Beijen trouwde in 1639 met Trijne van Bemmel.
    3. Hun zoon Hendrick Beijen trouwde in 1669 met Jenneken Broijl. Zij lieten tussen 1670 en 1686 zes kinderen dopen.
    4. Hun zoon Henricus Beijen was getrouwd met een zekere Aeltjen. Zij lieten tussen 1700 en 1705 drie kinderen dopen.
    5. Hun zoon Jacob Beijen trouwde in 1730 met Hendersken ter Borgh of Smeink en in 1738 met Engele Revoort of Geerdink. Uit deze huwelijken werden vier kinderen geboren.
    Een zuster van Jacob, Geesken Beijen, trouwde in 1732 met Aelbert ten Rouwenhorst. Er leven nu nog nakomelingen van dit echtpaar.
    6. Arent Beijen, een zoon uit het eerste huwelijk van Jacob, trouwde in 1754 met Jenneken te Leugenmorsch. Zij lieten tussen 1755 en 1764 zes kinderen dopen.
    7. Hun dochters Henders Beijen (die in 1779 trouwde met Jacob Thijssen) en Berendina Beijen (die in 1785 trouwde met Jan Boomers) waren de laatste vertegenwoordigers van deze groep.

  • In Neede was er rond 1640 verder een Berent Beijen, die een boerderij had in de buurtschap Hoonte. Zijn zoon Jan Beijen trouwde met Heiltjen Craen (of Kronen/Croenen). Van hen zijn zes kinderen bekend uit de periode 1668-1683, eerst uit Neede en later uit Zutphen. Zijn dochter Anneken Beijen trouwde in 1670 in Zutphen met Philip Jacobs.

    Van Beijens in het Westland

      
    "Dit merck is gestelt bij Barent Engelbrechtsz. van Nij". Omdat Barent niet kon schrijven, ondertekende hij als schepen met een handmerk.
    In het Westlandse 's-Gravenzande woonde in het verleden een familie waarvan de naam geschreven werd als Van Beijen. Ondanks dat Van wordt hier toch iets over deze groep gezegd omdat er misschien een verband is met de losse eindjes uit de Achterhoek.

    De stamvader van deze groep was een zekere Barent Engelbrechtsz. In sommige archiefstukken werd hij aangeduid met de naam Van Nij. Een plaats Nij is niet bekend, maar heel misschien werd er Neede mee bedoeld. Bij de hierboven genoemde Beijens uit Neede kwamen immers de namen Engelbert en Berent voor. Wie zijn vader Engelbrecht was, is echter niet duidelijk.
    Barent moet geboren zijn in 1621 of 1620. Hij was kleermaker en in de jaren 1674-1678 ook schepen van 's-Gravenzande. Barent was getrouwd met een zekere Machteld Jansdr. Hij werd, zonder vermelding van een achternaam, in de periode 1646-1651 vier keer als vader genoemd in het gereformeerde doopboek van 's-Gravenzande.
    Barent overleed in of kort voor 1682.

    Barent had twee kinderen, Annetje en Jan. In een akte uit 1682 werden ze aangeduid als Jan ende Annetje Barents van Bije. Jan werd al eerder vermeld met de naam Van Beijen of iets wat daarop leek. Toen hij in 1674 in 's-Gravenzande trouwde met Lijsbeth van der Burch werd hij "van Bijen" genoemd, later was het meestal "van Beijen".
    Jan en Lijsbeth kregen in de jaren 1675-1678 drie kinderen, die in De Lier werden gedoopt. Kort daarna moet Lijsbeth zijn overleden. In 1681 hertrouwde Jan met Maria Roderkerk. Uit dit tweede huwelijk kreeg Jan nog vijf kinderen, die allemaal in 's-Gravenzande werden gedoopt.

    Thomas van Beijen, de oudste zoon van Jan Barentsz. van Beijen, kreeg met zijn vrouw Maartje van der Kooij in de periode 1704-1712 zeven kinderen, die ze allemaal in 's- Gravenzande lieten dopen. Van maar twee van deze kinderen is iets meer bekend: de tweeling Elsje en Lijsbeth van Beijen. Zij trouwden met twee broers (geen tweeling) Vreugdenhil. De andere kinderen van Thomas zijn waarschijnlijk jong overleden.
    Jans jongere zoon Jacobus was getrouwd met Cornelia van der Post. Zij kregen in de jaren 1714-1734 minstens twaalf kinderen in 's-Gravenzande, Alphen, Oegstgeest, Voorschoten en Koudekerk aan de Rijn. Jacobus overleed in of voor 1749 in Koudekerk.

    Doordat de zoons van Thomas en Jacobus voorzover bekend geen nakomelingen hadden, stierf de naam Van Beijen uit. Jacobus' dochter Jacoba, die in 1799 overleed, was waarschijnlijk de laatste draagster van deze naam.

    De Amsterdamse groep Hendrik

    In de zeventiende en achttiende eeuw, dus ongeveer gelijktijdig met de Achterhoekse losse eindjes en de Westlandse Van Beijens, woonde er in Amsterdam een "losse" familie Beijen. Er is een opvallende overeenkomst met de vorige twee groepen: ook in de Amsterdamse groep kwam de voornaam Engelbrecht (Engelbert) voor. Onderlinge verwantschap is tot dusverre echter niet aangetoond.

    De oudst bekende vertegenwoordiger van deze groep was een zekere Hendrik Beijen. Hij werd in 1643 toegelaten als poorter van Amsterdam. In 1649 trouwde hij met de weduwe Neeltje Christiaens. Volgens het poortersboek en het ondertrouwregister was Hendrik afkomstig uit Oudendorp. Waarschijnlijk werd daarmee niet een Nederlandse plaats bedoeld, maar een Duitse dicht bij de huidige Nederlandse grens, bijvoorbeeld Oldendorp ten zuiden van Emden of Altendorf bij Nordhorn. Uit andere bronnen blijkt dat hij waarschijnlijk in 1621 of 1622 is geboren.
    Hendrik was glazenmaker van beroep. Later werd hij vermeld als goud- en zilversmidsgereedschapsverkoper. Uit een vermelding bij de ondertrouw van zijn zoon op 13 april 1685 blijkt dat Hendrik voor die datum is overleden.

    Hendriks enige zoon Engelbrecht of Engelbert werd geboren in 1652. Hij was tabaksverkoper en trouwde met Maria Limbach. Zij kregen vier kinderen, van wie er twee op jonge leeftijd overleden. In 1695 overleed Engelbrecht ook zelf. Zijn weduwe Maria Limbach bleef achter met haar kinderen Hendrik en Maria Beijen.

    Hendrik, die geboren was in 1688, was aanvankelijk schoenmaker. Later had hij een galanteriewinkel op de Nieuwe Hoogstraat in Amsterdam. Hij trouwde in 1714 met Johanna Vos. Na een lang huwelijk overleed zij in 1748. Hendrik hertrouwde na een halfjaar met de veel jongere Grada Steenbergen. Hendrik overleed in 1764; zijn tweede vrouw in 1788.

    Uit zijn eerste huwelijk had Hendrik een zoon Hendrik junior die geboren werd in 1715. Die Hendrik (de derde Hendrik uit deze groep) trouwde in 1735 met Maria Angenita Davercose, met wie hij twee dochters kreeg. In 1744 overleed Maria Angenita, in 1748 Hendrik junior. Beiden waren nog geen 35 jaar. De twee meisjes, Johanna en Maria, werden waarschijnlijk opgevangen door hun grootvader, Hendrik senior.

    Ook uit zijn tweede huwelijk had Hendrik senior een zoon, Engelbart. Die werd 34 jaar na zijn inmiddels overleden halfbroer geboren. Johanna en Maria kregen daardoor een (half)oom die meer dan tien jaar jonger was dan zijzelf.
    De jonge Engelbart werd later zilversmid. Hij trouwde met Maria Antonia Baars. Zij kregen alleen een zoontje Pieter Anthoni, die mogelijk jong overleden is. In dat geval was Engelbart, die in 1811 overleed, de laatste Beijen uit dit losse eindje.

    Jan Beijen, Maria Prinse en hun nakomelingen

    In 1799 kreeg een zekere Maria Prinse, die in Nijmegen woonde en enkele jaren daarvoor door haar man Willem de Lange verlaten was, een zoontje dat bij de doop de voornaam Henricus kreeg. Omdat Maria verklaard had dat de vader Jan Beijen heette, ging het kind als Henricus Beijen door het leven.
    Over de achtergrond van Jan Beijen is niets met zekerheid bekend. Waarschijnlijk heeft hij maar kort in Nijmegen gewoond (misschien als soldaat) en was hij bij de geboorte van Henricus alweer vertrokken. Maria stond daarom alleen in de zorg voor Henricus en haar twee eerdere kinderen, die de naam De Lange droegen.
    Eind 1799 werd Maria betrapt op winkeldiefstal. Ze bekende vervolgens al vaker te hebben gestolen. Normaal gesproken zou dat tot gevangenisstraf of erger hebben geleid, maar het Nijmeegse stadsbestuur beschouwde het waarschijnlijk als een verlichtende omstandigheid dat ze gestolen had om haar kinderen te kunnen onderhouden. Daarom werd ze "alleen maar" levenslang uit Nijmegen verbannen. Maria vertrok naar het Duitse Wezel; haar kinderen bleven achter bij haar moeder. In de jaren daarna werd Maria nog twee keer in Nijmegen betrapt, wat haar onder andere kwam te staan op een vernederende "tentoonstelling" op het Nijmeegse schavot. In 1809 kreeg ze uiteindelijk toestemming van koning Lodewijk Napoleon om naar Nijmegen terug te keren.
    Haar zoon Henricus Beijen trouwde in 1830 in Amersfoort. Hij was daar gelegerd als soldaat. Henricus kreeg vier dochters, van wie de laatste in 1923 overleed. Met haar stierf dit losse eindje uit.
  •    Het inhoudsoverzicht                                        De volgende pagina